De veertig dagen van de Musa Dagh
Franz Werfel, Vertaling: dr. Kees van Hage • 24 april 2026
Dit werk werd ontworpen in maart 1929 tijdens een verblijf in Damascus. Het ellendige beeld van verminkte en uitgehongerde vluchtelingenkinderen die in een tapijtfabriek werkten, gaf de beslissende stoot om het onvoorstelbare lot van het Armeense volk aan het dodenrijk van al het gebeurde te ontrukken. Het schrijven van het boek vond plaats in de periode juli 1932 tot maart 1933. Tussendoor, in november, ter gelegenheid van een lezingentournee in verschillende Duitse steden, koos de auteur hoofdstuk 5 van het Eerste Boek om voor te lezen, en wel precies in de huidige vorm, die berust op de historische overlevering van het gesprek tussen Enver Paşa en dominee Johannes Lepsius.
Breitenstein, voorjaar 1933 F.W.
Eerste boek
Het naderende
‘O heilige en betrouwbare Heer, wanneer zult U de mensen die op aarde leven eindelijk straffen en ons bloed op hen wreken?’
Openbaring van Johannes 6:10
Hoofdstuk 1
Tezkere
‘Hoe ben ik hier beland?’
Gabriel Bagradian zegt deze woorden hardop, zonder dat hij het beseft. Ze drukken ook geen vraag uit, maar iets onbestemds, een plechtige verbazing, waar hij vol van is. Het ligt misschien aan de doorglansde vroegte van de maartse zondag, aan de Syrische lente, die de kuddes rode reuzenanemonen van de hellingen van de Musa Dagh de ongeordende vlakte van Antiochië in drijft. Overal welt het lieflijke bloed uit de weidevlakten en verstikt het bedeesde wit van de grote narcissen, waarvan de tijd eveneens gekomen is. Een onzichtbaar, gouden dreunen lijkt de berg te omhullen. Zijn het de uitgezwermde honingbijenvolken uit de korven van Kabusia of wordt op dit doorzichtigste en doorhoorbaarste uur de branding van de Middellandse Zee waarneembaar, die ver daarachter aan de naakte rug van de Musa Dagh knaagt? De hobbelige weg loopt tussen vervallen muren naar boven. Waar die opeens eindigen in rommelige hopen steen, versmalt hij tot een herderspad. De uitloper is beklommen. Gabriel Bagradian keert zich om. Zijn grote gestalte in het toeristenkostuum van vlokkige, grofwollen stof strekt zich luisterend. Hij schuift de fez een eindje uit zijn vochtige voorhoofd. Zijn ogen staan uit elkaar. Ze zijn wat lichter, maar zeker niet kleiner dan de meeste Armeense ogen.
Nu ziet Gabriel waar hij vandaan komt: het huis staat met zijn verblindende muren en zijn platte dak te stralen tussen de eucalyptusbomen van het park. Ook de stallen en schuren staan te blinken in de zondagochtendzon. Hoewel Bagradian al meer dan een half uur gaans van de boerderij verwijderd is, lijkt die nog steeds zo dichtbij of ze haar baas op de voet gevolgd is. Maar ook de kerk van Yoghunoluk lager in het dal groet hem duidelijk met haar grote koepel en haar zijtorentjes met de spitse hoeden. Die imposante, ernstige kerk en de villa Bagradian horen bij elkaar. Gabriels grootvader, de legendarische stichter en weldoener, heeft ze beide vijftig jaar geleden gebouwd. Bij de Armeense boeren en handwerkers is het waarschijnlijk gewoonte om na zakelijke zwerftochten uit het buitenland, zelfs uit Amerika, terug te keren op het ouderlijk nest, maar rijkgeworden burgers denken er anders over. Zij bouwen hun pronkvilla’s aan de kust van Cannes, in de tuinen van Heliopolis of op zijn minst op de hellingen van Libanon in de buurt van Beiroet. De oude Avetis Bagradian was heel anders dan dat soort parvenu’s. Als stichter van de bekende internationale firma in Stamboel met filialen in Parijs, Londen en New York, verbleef hij voor zover zijn tijd en zijn zaken het toelieten jaar in, jaar uit in de villa boven het dorp Yoghunoluk aan de voet van de Musa Dagh. Maar niet alleen Yoghunoluk, ook de zes andere Armeense dorpen in het district Suediya hadden de rijke zegen van zijn koninklijke aanwezigheid genoten. Afgezien van de kerken en schoolgebouwen en de benoeming van Amerikaanse godsdienstleraren volstaat het om te wijzen op het geschenk dat de bevolking ondanks alle gebeurtenissen tot op de dag van vandaag onthouden heeft: de scheepslading Singer-naaimachines die Avetis Bagradian na een bijzonder geslaagd zakenjaar onder vijftig behoeftige families in de dorpen uit liet delen.
Gabriel – hij keert zijn luisterende blik nog steeds niet van de villa af – heeft zijn grootvader gekend. Hij is immers beneden in het huis geboren en heeft daar als kind heel wat lange maanden doorgebracht. En toch: dat vroegere leven van hem raakt hem onwillekeurig zo dat het pijn doet. Het lijkt een bestaan van voor zijn geboorte, waarvan de herinneringen met onwelkome huiveringen schrammen maken in zijn ziel. Heeft hij zijn grootvader echt gekend of alleen maar in een jongensboek over hem gelezen of een plaatje van hem gezien? Een kleine man met een witte sik in een lange, geelzwartgestreepte zijden jas. Zijn gouden knijpbril hangt aan een kettinkje op zijn borst. Op rode schoenen loopt hij door het gras van de tuin. Alle mensen buigen diep. Sierlijke oudemannenvingers raken de wang van het kind. Was het zo, of is het maar een lege droom? Met zijn grootvader vergaat het Gabriel Bagradian net als met de Musa Dagh. Toen hij een paar weken geleden de berg van zijn jeugd voor het eerst terugzag, met de donker wordende contouren tegen de avondhemel, toen ging er een onbeschrijfelijk gevoel door hem heen, angstaanjagend en aangenaam tegelijk. De diepte was niet te doorgronden. Hij gaf het meteen op. Was het de eerste ademtocht van een voorgevoel? Waren het de drieëntwintig jaren?
Drieëntwintig jaar Europa, Parijs! Drieëntwintig jaar volledige assimilatie! Ze tellen dubbel en driedubbel. Ze wissen alles uit. Na de dood van de oude man ontvlucht de familie dit oriëntaalse hoekje, verlost van het chauvinisme van het opperhoofd. De hoofdvestiging van de firma is en blijft in Stamboel. Maar Gabriels ouders wonen met hun twee zoons nu in Parijs. Zijn broer, hij heet ook Avetis, vijftien jaar ouder dan Gabriel, verdwijnt echter al gauw. Als mededirecteur van de importfirma gaat hij terug naar Turkije. Niet ten onrechte heet hij naar zijn grootvader. Hem trekt Europa niet. Hij is een eenzelvige zonderling. De villa in Yoghunoluk wordt na jaren verlatenheid weer in ere hersteld. Zijn enige liefhebberij is jagen en vanuit Yoghunoluk gaat hij op jacht in het Taurusgebergte en in Hauran. Gabriel, die nauwelijks iets van zijn broer weet, gaat in Parijs naar het gymnasium en studeert aan de Sorbonne. Niemand dringt hem het beroep van zakenman op en als wonderlijke uitzondering van zijn stam is hij daarvoor ook volkomen ongeschikt. Hij mag leven als geleerde en estheet, als archeoloog, kunsthistoricus, filosoof en krijgt verder een jaarlijkse toelage, waardoor hij een vrij en zelfs welgesteld man is. Nog heel jong trouwt hij met Juliette. Dat huwelijk brengt een grondige verandering teweeg. De Française trekt hem naar haar kant. Nu is Gabriel meer Fransman dan ooit. Armeniër is hij hoofdzakelijk nog in naam. Toch vergeet hij zichzelf niet helemaal en publiceert soms een of ander wetenschappelijk artikel in Armeense tijdschriften. Ook krijgt zijn zoon Stéphane op zijn tiende een Armeense student als huisleraar om hem de taal van zijn voorvaderen te leren. Juliette vond dat eerst heel overbodig en zelfs kwalijk. Maar omdat de jonge Samuel Avakian een prettig karakter heeft, geeft ze na wat achterhoedegevechten haar verzet op. De ruzietjes tussen de echtgenoten komen altijd voort uit een en dezelfde tegenstelling. Hoe Gabriel ook zijn best doet om op te gaan in de andere cultuur, hij wordt van tijd tot tijd toch bij de politiek van zijn volk betrokken. Omdat hij een goede naam heeft, zoeken ettelijke Armeense leiders hem op, wanneer ze in Parijs zijn. Ze bieden hem zelfs een zetel aan namens de Dashnakzagan-partij. Al wijst hij dit ongehoorde verzoek geschrokken af, hij neemt toch deel aan het bekende congres dat in 1907 de Jonge Turken met de Armeense Nationale Partij verenigt. Er moet een nieuw rijk gevormd worden, waarin de volkeren vreedzaam en zonder aantasting van hun eer naast elkaar leven. Voor zo’n doel wordt ook de man die van zijn volk vervreemd is enthousiast. De Turken komen die dagen met de mooiste complimenten en liefdesverklaringen aan de Armeniërs. Gabriel Bagradian neemt de eed van trouw op zijn manier serieuzer dan anderen. Dat is de reden waarom hij zich bij het uitbreken van de Balkanoorlog meldt als vrijwilliger. Hij krijgt aan de school voor reserveofficieren in Stamboel een versnelde opleiding en is nog op tijd om als officier bij een batterij houwitsers mee te vechten in de slag bij Bulaïr. Deze enige lange scheiding van zijn gezin duurt meer dan een halfjaar. Hij lijdt er erg onder. Misschien is hij bang dat Juliette hem kan ontglippen. Voor zijn gevoel wordt er iets in hun relatie bedreigd, al heeft hij daar geen echte aanwijzing voor. Terug in Parijs zweert hij alle dingen af die niet alleen met zijn innerlijk leven te maken hebben. Hij is een denker, een abstracte mens, een mens-op-zichzelf. Wat gaan hem de Turken aan en de Armeniërs? Hij denkt erover om zich tot Fransman te laten naturaliseren. Daarmee zou hij vooral Juliette gelukkig maken. Uiteindelijk weerhoudt een onaangenaam gevoel hem telkens weer. Hij is vrijwillig naar het front gegaan. Al woont hij niet in zijn vaderland, hij kan het niet herroepen. Het is het land van zijn voorvaderen. Zijn voorvaderen hebben daar zwaar geleden en toch niet opgegeven. Gabriel heeft niet geleden. Hij kent moord en slachting alleen van verhalen en boeken. Maakt het iets uit waar een abstracte mens woont? denkt hij en blijft Ottomaans onderdaan. Twee gelukkige jaren in een mooie woning in de avenue Kléber. Het lijkt of alle problemen opgelost zijn en de definitieve levensvorm gevonden is. Gabriel is vijfendertig, Juliette vierendertig en Stéphane dertien. Ze hebben een zorgeloos bestaan, geen bijzondere ambitie, intellectueel werk en een prettige vriendenkring. Wat de laatste betreft is Juliette toonaangevend. Dat blijkt hoofdzakelijk uit het feit dat het contact met Gabriels oude Armeense kennissen – zijn ouders leven allang niet meer – steeds minder wordt. Juliette gaat als het ware onverbiddelijk op haar gevoel af. Alleen de ogen van haar zoon kan ze natuurlijk niet veranderen. Maar Gabriel lijkt dat allemaal niet te merken. Een expresbrief van Avetis Bagradian brengt de ommekeer. Zijn oudere broer vraagt Gabriel om naar Stamboel te komen. Hij is ernstig ziek en niet meer in staat om de onderneming te leiden. Daarom heeft hij al weken alle voorbereidingen getroffen om de firma te veranderen in een naamloze vennootschap. Of Gabriel zijn belangen wil komen behartigen. Juliette, die zich erg laat voorstaan op haar wereldwijsheid, zegt meteen dat ze met Gabriel mee wil om hem tijdens de onderhandelingen te ondersteunen. Het gaat immers om heel belangrijke dingen. Maar hij is naïef van aard en niet opgewassen tegen de Armeense kneepjes van de anderen. Juni 1914. Onheilspellende wereld. Gabriel besluit niet alleen Juliette, maar ook Stéphane en Avakian mee op reis te nemen. Het schooljaar is immers zo goed als afgelopen. De zaak kan lang duren en de loop van de wereld is onberekenbaar. In de tweede week van juli komt de familie in Constantinopel aan. Maar Avetis Bagradian kon niet op hen wachten. Hij is met een Italiaans schip naar Beiroet gereisd. Zijn longkwaal is de afgelopen dagen in een wreed tempo verslechterd en hij kon de lucht van Stamboel niet meer verdragen. (Vreemd: de broer van de Europeaan Gabriel gaat niet naar Zwitserland, maar naar Syrië om te sterven.) In plaats van met Avetis onderhandelt Gabriel nu met directeuren, advocaten en notarissen. Maar hij moet erkennen dat zijn onbekende broer het op een heel tactvolle en omzichtige manier voor hem geregeld heeft. Dan beseft hij voor het eerst heel duidelijk dat het die zieke, ouwelijke Avetis is die voor hem werkt en aan wie hij zijn welzijn te danken heeft. Wat raar dat broers zulke vreemden voor elkaar moeten blijven! Gabriel schrikt van zijn eigen hoogmoed tegenover de “zakenman” en tegenover de “oosterling”, die hij niet altijd onderdrukt heeft. Nu voelt hij opeens de wens en zelfs een licht verlangen om iets recht te zetten, voor het te laat is. De hitte in Stamboel is werkelijk niet te harden. Teruggaan naar het Westen lijkt nu niet raadzaam. We moeten de storm maar voorbij laten gaan. Aan de andere kant is de gedachte aan een korte zeereis al een verkwikking. Een van de nieuwste stoomboten van Khedival Mail doet onderweg naar Alexandrië Beiroet aan. Op de westhellingen van Libanon zijn moderne villa’s te huur, die aan de meest onbescheiden wensen tegemoet komen. Kenners weten dat er geen mooier landschap op aarde bestaat. Maar Gabriel hoeft zulke overredingskunsten helemaal niet toe te passen, want Juliette gaat meteen akkoord. Ze voelt al lange tijd een vage ongedurigheid. Uitzicht op iets nieuws lokt haar. Terwijl ze op volle zee zijn, kletteren de oorlogsverklaringen van de staten tegen elkaar. Wanneer ze in Beiroet aan wal gaan, zijn in België, op de Balkan en in Galicië de eerste gevechten al begonnen. Aan terugkeer naar Frankrijk hoeven ze niet meer te denken. Ze zitten vast. De kranten berichten dat de Hoge Porte toe zal treden tot de Centrale Mogendheden. Parijs is vijandelijk land geworden. Het hogere doel van de reis ontpopt zich als gemist. Avetis Bagradian is zijn jongere broer voor de tweede keer ontsnapt. Hij heeft Beiroet een paar dagen geleden verlaten en de bezwaarlijke reis via Aleppo en Antiochië naar Yoghunoluk gewaagd. Ook Libanon is niet goed genoeg voor zijn dood. De Musa Dagh moet het zijn. Maar de brief waarin zijn broer hem zelf zijn dood aankondigt arriveert pas in de herfst. De Bagradians zijn intussen gaan wonen in een mooi huis, niet ver boven de stad. Juliette vindt het leven in Beiroet draaglijk. Er zijn een heleboel Fransen. Ook de verschillende consuls komen langs. Ze weet overal mensen bij elkaar te krijgen. Gabriel is blij dat ze niet te veel lijdt onder de verbanning. Ze kunnen er niets tegen doen. Beiroet is in elk geval veiliger dan Europese steden. Alleen moet Gabriel de hele tijd aan het huis in Yoghunoluk denken. In zijn brief dringt Avetis daarop aan. Vijf dagen na de brief komt het telegram van dokter Altouni met het overlijdensbericht. Nu denkt Gabriel niet alleen de hele tijd aan het huis van zijn jeugd, hij praat er ook over. Maar als Juliette plotseling te kennen geeft dat ze dat huis, waar hij altijd al over vertelde en dat hij nu geërfd heeft, zo snel mogelijk wil betrekken, schrikt hij terug. Op zijn bezwaren reageert ze koppig. Landelijke eenzaamheid? Niets is welkomer. Isolement, gebrek aan comfort? Zij zal al het nodige zelf doen. Dat lijkt haar juist een mooie taak. Haar ouders hadden een landhuis, waarin ze opgegroeid is. Als ze een eigen huis inrichten, als zij daar alles zelf mag regelen, gaat een van haar liefste dromen in vervulling; waar ter wereld maakt niets uit. Ondanks die blije bereidwilligheid verzet Gabriel zich nog tot na de regentijd. Zou het niet veel verstandiger zijn om zijn gezin naar Zwitserland te brengen? Maar Juliette blijft bij haar wens. Het klinkt bijna als een uitdaging. Hij kan een mengeling van vreemd onbehagen en verlangen niet onderdrukken. Het is al december, wanneer het kleine gezin zich klaarmaakt voor de expeditie naar de geboortestreek van de vader. Tot Aleppo verloopt de treinreis ondanks de troepenverplaatsingen redelijk goed. In Aleppo huren ze twee onbeschrijfelijke auto’s. In de modder van de provinciale weg bereiken ze als door een wonder toch Antiochië. Daar staat beheerder Kristaphor op de Orontesbrug al te wachten met de jachtwagen van het huis en twee ossenkarren voor de bagage. Het is minder dan twee uur naar Yoghunoluk. Die gaan heel vrolijk voorbij. Het viel allemaal erg mee, vond Juliette…
Hoe ben ik hier beland? Al die uiterlijke verbondenheid van de dingen beantwoordt de vraag maar zeer ten dele. Maar zijn plechtige verbazing verdwijnt niet. Er klinkt een lichte onrust mee. De oeroude dingen waar hij in drieëntwintig Parijse jaren overheen gegroeid was, die moeten weer ingeburgerd raken. Nu keert Gabriel zijn lege blik pas van zijn huis af. Juliette en Stéphane slapen vast nog. Ook de kerkklokken van Yoghunoluk hebben de zondag nog niet ingeluid. Zijn ogen volgen het dal van de Armeense dorpen een eind naar het noorden. Het dorp van de zijderupsen, Agir, kan hij vanuit zijn standpunt nog zien, Kabusia, het laatste plaatsje in die richting, niet meer. Agir slaapt in een donkergroen bed van moerbeibomen. Op het heuveltje daar dat tegen de Musa Dagh leunt, verheft zich een kloosterruïne. De heilige apostel Thomas persoonlijk heeft die hermitage gesticht. De stenen van de puinhoop dragen opmerkelijke inscripties. Veel stammen er uit de tijd van de Seleuciden en zijn voor een archeoloog zeldzame vondsten. Ooit strekte Antiochië, de koningin van de toenmalige wereld, zich uit tot de zee. Overal liggen hier de oudheden open en bloot of springen een schatgraver bij de eerste spade in de grond tegemoet. Gabriel heeft deze weken al een hoop kostbare trofeeën in zijn huis geborgen. Die jacht blijft zijn hoofdbezigheid hier. Toch schrok hij er tot nu toe voor terug om de heuvel van de Thomasruïne te beklimmen. (Grote slangen, koperkleurig en gekroond, bewaken die. Bij de mannen die de heilige stenen meesleepten om een huis te bouwen, groeide de last vast op hun rug en de boosdoeners moesten hem meenemen in het graf.) Wie heeft hem dat verhaal verteld? Ooit zaten er in de kamer van zijn moeder, die nu Juliettes kamer is, oude vrouwen met zonderling beschilderde gezichten. Of is dat ook maar inbeelding? Is dat mogelijk: waren moeder in Yoghunoluk en moeder in Parijs één en dezelfde vrouw?
Gabriel is het donkere loofbos allang ingegaan. In de berghelling is een steile, brede geul uitgesneden, die naar de hoogte leidt. Ze noemen die de steeneikenkloof. Terwijl Bagradian het herderspad op loopt dat moeizaam door het dichte kreupelhout dringt, weet hij opeens: het provisorium is afgelopen. De beslissing moet vallen.
Provisorium? Gabriel Bagradian is Ottomaans officier in de reserve van een artillerieregiment. De Turkse legers staan aan vier fronten in de strijd op leven en dood. In de Kaukasus tegen de Russen. In de Mesopotamische woestijn tegen Engelsen en Indiërs. Er zijn Australische divisies geland op het schiereiland Gallipoli om samen met de vloten van de bondgenoten de poort naar de Bosporus in te trappen. Het Vierde Leger in Syrië en Palestina bereidt een nieuwe aanval voor op het Suezkanaal. Er is een bovenmenselijke inspanning nodig om aan al die fronten stand te houden. Enver Paşa, de verafgode veldheer, heeft bij zijn roekeloze veldtocht in de Kaukasische winter twee hele legerkorpsen verloren. Overal is gebrek aan officieren. Het oorlogsmaterieel is ontoereikend. Voor Bagradian zijn de hoopvolle dagen van 1908 en 1912 voorbij. Ittihad, het “Comité voor Eenheid en Vooruitgang” van de Jonge Turken, heeft het Armeense volk alleen gebruikt om meteen alle beloften te breken. Gabriel heeft geen enkele behoefte om zich als bewijs van zijn vaderlandse dapperheid bijzonder op de voorgrond te dringen. De dingen liggen deze keer heel anders. Zijn vrouw is Française. Hij zou dus gedwongen kunnen worden om te vechten tegen een natie waarvan hij houdt, die hij heel dankbaar is en waar hij door zijn huwelijk mee verbonden is. Toch heeft hij zich in Aleppo gemeld bij de reservetroepen van zijn regiment. Dat was zijn plicht. Anders hadden ze hem als deserteur kunnen behandelen. Maar vreemd genoeg lijkt de kolonel van het kader geen behoefte aan officieren te hebben. Hij bestudeert Bagradians papieren met doordringende precisie en daarna stuurt hij hem weg. Hij moet zijn woonplaats opgeven, zich daar gereedhouden en de oproeping afwachten. Dat gebeurde in november. Nu is het eind maart en er is nog steeds geen oproeping uit Antiochië. Zit daar een ondoorgrondelijke bedoeling achter of alleen maar de ondoorgrondelijke bedrijfschaos van Ottomaanse militaire bureaus? Maar op dit moment heeft Gabriel het gevoel of hij precies weet dat de beslissing vandaag nog zal vallen. ’s Zondags komt de post uit Antiochië, niet alleen brieven en kranten, maar ook de regeringsbevelen van de kaymakamlik aan gemeenten en onderdanen.
Gabriel Bagradian denkt alleen aan zijn gezin. De toestand is verdraaid lastig. Wat moet er tijdens zijn velddienst van Juliette en Stéphane terechtkomen? Er is veel voor te zeggen om in Yoghunoluk te blijven. Juliette is gek op het huis, het park, het bedrijf en de fruit en rozenteelt. In de rol van landeigenares schijnt ze zich heel prettig te voelen. Betrouwbare en lovenswaardige mensen zijn er ook hier genoeg. De oude dokter Altouni en de wonderlijk geleerde apotheker Krikor kent Gabriel nog uit zijn kinderjaren. Daarbij komt de vartabed Der Haygazun, hoofdpriester van Yoghunoluk en gregoriaans vicaris van de hele parochie Suediya. Verder de protestantse dominee Harutiun Nokhudian in Bitias, de leraren en ettelijke notabelen. Met de vrouwen moet je natuurlijk een beetje consideratie hebben. Na de eerste receptie van die notabelen in de villa Bagradian had Gabriel tegen Juliette gezegd dat je in een dorpje in de Provence bij zulke gelegenheden ook geen betere mensen vindt dan hier aan de Syrische kust. Juliette accepteerde die conclusie zonder haar gebruikelijke spottende opmerkingen over alles wat Armeens en oriëntaals is, waarmee ze haar man vaak weet te irriteren. Sindsdien worden die recepties vaak herhaald. Ook deze zondag in maart is er een. Gabriel is blij met Juliettes mildheid. Maar al die gunst verandert niets aan het feit dat vrouw en zoon hier, als ze alleen achterblijven, van de wereld afgesneden zijn.
De steeneikenkloof blijft achter Bagradian liggen, zonder dat hij in deze kwestie meer duidelijkheid heeft. Het platgetreden pad loopt naar het noorden en verdwijnt tussen aardbei- en rhododendronstruiken op de bergrug. Dit deel van de Musa Dagh wordt door de bergbewoners Damlajek genoemd. Gabriel kent al die namen nog. De Damlajek bereikt geen noemenswaardige hoogten. De twee zuidelijke toppen halen de achthonderd meter. Zij vormen de laatste hoogten van het bergmassief, dat zich daarna overwachts en nogal rommelig met enorme steenbergen in de vlakte van de Orontes stort, alsof het afgebroken is. Hier in het noorden, waar de wandelaar zojuist zijn weg zocht, is de Damlajek lager. Hij eindigt dan beneden in een zadelrug. Dat is het smalste punt van heel het kustgebergte, de taille van de Musa Dagh. De hoogvlakte versmalt tot een paar honderd meter en de rommelige rotsen van de steile kant dringen ver op. Gabriel denkt elke steen en elk bosje te kennen. Van alle beelden uit zijn jeugd is deze plek het diepst in zijn herinnering gegrift. Het zijn dezelfde pijnbomen met schermen die hier een bosje vormen. Het is hetzelfde naaldhout dat hier tegenstribbelend over de stenige bodem kruipt. Klimop en andere slingerplanten omhelzen een kring van witte rotsblokken, die als reusachtige persoonlijkheden van een natuurlijke senaat hun beraadslaging onderbreken, zodra de stap van een indringer klinkt. Een reisvaardige zwaluwennatie doorkwettert de stilte. Opgewonden spel in het groenige binnenmeer van de lucht. Als van donkere forellen. Het plotselinge uitslaan en intrekken van de vleugels lijkt de knippering van een ooglid.
Gabriel gaat met zijn armen onder zijn hoofd op een plekje gras liggen. Hij heeft de Musa Dagh al twee keer eerder beklommen om die pijnbomen en rotsblokken te vinden, maar raakte telkens de weg kwijt. Die is er dus helemaal niet, dacht hij al. Nu doet hij moe zijn ogen dicht. Keert een mens terug naar een oude plek van bespiegeling en intimiteit, dan wordt hij bestormd door de geesten die hij daar gewekt en achtergelaten heeft. Ook Bagradian wordt bestormd door zijn jongensgeesten, alsof die hier onder pijnbomen en rotsen van deze bekoorlijke woestenij drieëntwintig jaar trouw op hem hebben gewacht. Het zijn heel oorlogszuchtige geesten. De wilde spoken van iedere Armeense jongen. (Zou het anders kunnen?) De bloeddorstige sultan Abdul Hamid heeft een ferman tegen de christenen uitgevaardigd. De honden van de profeet, Turken, Koerden, Tsjerkessiërs, scharen zich achter het groene vaandel om plat te branden, te plunderen en het Armeense volk te vermoorden. Maar de vijanden hebben geen rekening gehouden met Gabriel Bagradian. Hij verenigt zijn mensen. Hij brengt hen naar de bergen. Met onbeschrijfelijke heldenmoed weert hij de overmacht af en slaat die terug.
Gabriel onttrekt zich niet aan die kinderlijke bevliegingen. Hij, de Parijzenaar, de man van Juliette, de geleerde, de officier die de realiteit van de moderne oorlog kent en weer op het punt staat om zijn plicht als Turks militair te vervullen – is tegelijk de jongen die zich met oeroude haat op de aartsvijand van zijn volk stort. De dromen van iedere Armeense jongen. Heel even maar! Toch is Gabriel verbaasd en glimlacht ironisch voor hij in slaap valt.
Gabriel Bagradian schiet overeind, niet zonder schrik. Iemand heeft indringend naar hem staan kijken, terwijl hij sliep. Waarschijnlijk heel lang. Hij kijkt in de stille, brandende ogen van zijn zoon Stéphane. Een onaangenaam gevoel, hoewel niet erg duidelijk, overvalt hem. Een zoon hoort zijn vader in diens slaap niet te verrassen. De een of andere diepe morele wet wordt daardoor overtreden. Hij legt een lichte strengheid in zijn woorden:
‘Wat doe je hier? Waar is monsieur Avakian?’
Nu lijkt Stéphane ook ontdaan dat hij zijn vader in diens slaap betrapt heeft. Hij weet niet waar hij zijn handen moet laten. Zijn dikke lippen gaan open. Hij draagt een college-uniform, halfhoge kousen en een breed, liggend boord. Onder het praten staat hij aan zijn jasje te plukken:
‘Van mama mocht ik in mijn eentje gaan wandelen. Monsieur Avakian is vandaag vrij. We studeren ’s zondags niet.’
‘We zijn hier niet in Frankrijk, Stéphane, maar in Syrië,’ legt zijn vader veelbetekenend uit. ‘De volgende keer mag je niet zonder toezicht in de bergen rondklauteren.’
Stéphane kijkt papa gespannen aan, alsof hij behalve dit kleine standje nog belangrijkere aanwijzingen verwacht. Maar Gabriel zegt niets meer. Een rare verlegenheid overvalt hem. Het is alsof hij nu voor het eerst in zijn leven alleen is met zijn jongen. Sinds ze in Yoghunoluk zijn, heeft hij zich weinig om hem bekommerd en ziet hem meestal alleen aan tafel. In Parijs en met vakantie in Zwitserland heeft hij met Stéphane soms wel eenzame wandelingen gemaakt. Maar ben je in Parijs, in Montreux of in Chamonix alleen? Al is de heldere lucht van de Musa Dagh een oplossend element, dat tussen hen beiden een ongekende nabijheid schept. Gabriel loopt voorop als een gids die alle belangrijke punten kent. Stéphane volgt hem, nog steeds zwijgend en vol verwachting.
Vader en zoon in het Morgenland! Dat is nauwelijks te vergelijken met de oppervlakkige relatie tussen ouders en kinderen in Europa. Wie zijn vader ziet, ziet God. Want die vader is de laatste schakel in de ononderbroken keten van voorouders die de mens verbindt met Adam en daardoor met de oorsprong van de schepping. Maar ook wie zijn zoon ziet, ziet God. Want die zoon is de volgende schakel die de mens verbindt met het Laatste Oordeel, het eind van alles en van de verlossing. Moeten er in zo’n heilige relatie geen schuwheid en zwijgzaamheid heersen?
De vader besluit tot een ernstig gesprek, zoals het hoort:
‘Welke vakken leer je nu bij meneer Avakian?’
‘We zijn een tijdje geleden Grieks gaan lezen, papa. En we doen ook natuurkunde, geschiedenis en aardrijkskunde.’
Bagradian kijkt op. Stéphane spreekt Armeens. Heeft hij zijn vraag ook in het Armeens gesteld? Gewoonlijk praten ze Frans met elkaar. De Armeense woorden van de zoon raken de vader op een bijzondere manier. Hij beseft dat hij in Stéphane veel vaker een Franse dan een Armeense jongen zag.
‘Aardrijkskunde,’ herhaalt hij. ‘En met welk werelddeel zijn jullie nu bezig?’
‘De aardrijkskunde van Klein-Azië en Syrië,’ meldt Stéphane gedienstig. Gabriel knikt instemmend, alsof hij niets verstandigers verwacht had. Daarna probeert hij, al niet meer helemaal met zijn gedachten bij de zaak, het gesprek pedagogisch te besluiten:
‘Zou jij van de Musa Dagh hier een kaart kunnen tekenen?’
Stéphane is dolblij met zoveel vaderlijk vertrouwen:
‘Ja hoor, papa! In jouw kamer hangt nog een kaart van oom Avetis: Antiochië en de kust. Ik hoef alleen maar de schaal te vergroten en alles wat er niet op staat in te tekenen.’
Dat klopt. Gabriel is even blij om Stéphane. Maar daarna dwalen zijn gedachten af naar het oproepingsbevel, dat misschien al onderweg is of nog steeds op een Turks bureau in Aleppo of zelfs in Stamboel rondslingert. Stille tocht. Stéphane wacht geconcentreerd tot hem weer iets gezegd wordt. Dit is papa’s geboortestreek. Hij wil heel graag verhalen horen uit zijn vaders jeugd, de geheimzinnige dingen waarover ze hem zo zelden verteld hebben. Maar zijn vader lijkt een bepaald doel te hebben. En daar opent zich al het eigenaardige terras waar hij naartoe probeert te lopen. Het steekt ver uit de berg naar voren in de leegte. Een geweldige rotsarm houdt het met gespreide vingers op als een schotel. Het is een met stenen bezaaide rotsplaat, heel ruim, er zouden twee huizen op passen. Maar de stormen uit zee, die hier vrij spel hebben, dulden nauwelijks een paar struiken en een agave zo hard als leer. Het vrijzwevend overhangende vlak steekt zover uit dat een zelfmoordenaar die zich van de uiterste rand in de vierhonderd meter lager gelegen zeeafgrond stort, in het water kan verdwijnen zonder door een klip gewond te raken. Als een echte jongen wil Stéphane naar de rand lopen. Maar zijn vader trekt hem heftig achteruit en houdt zijn hand krampachtig omklemd. Met zijn vrije rechterhand wijst hij in de verschillende windrichtingen.
‘Daar in het noorden zouden we de baai van Alexandretta kunnen zien, als Ras el Khansir, de Varkenskaap, er niet was. En in het zuiden de monding van de Orontes, maar de berg maakt een bocht…’
Stéphane volgt aandachtig de wijsvinger van zijn vader, die de halve cirkel van de bewogen zee natekent. Maar wat hij vraagt heeft met de beschrijving van de omgeving niets te maken:
‘Ga je echt naar het front, papa?’
Gabriel merkt niet eens dat hij Stéphanes hand nog steeds angstig vasthoudt:
‘Ja! Het bevel kan elke dag komen.’
‘En moet dat?’
‘Het kan niet anders, Stéphane. Alle Turkse reserveofficieren moeten opkomen.’
‘Maar wij zijn geen Turken. En waarom hebben ze je niet meteen opgeroepen?’
‘Ze zeggen dat de artillerie voorlopig genoeg kanonnen heeft. Als de nieuwe batterijen opgesteld zijn, roepen ze alle reserveofficieren op.’
‘En waar sturen ze jou naartoe?’
‘Ik zit bij het Vierde Leger in Syrië en Palestina.’
Het is voor Gabriel Bagradian een geruststellend idee dat hij waarschijnlijk een tijdje naar Aleppo, Damascus of Jeruzalem moet. Misschien is er dan een mogelijkheid om Juliette en Stéphane mee te nemen. Stéphane lijkt de vaderlijke zorgen te raden:
‘En wij, papa?’
‘Dat is het hem juist…’
De jongen valt zijn vader hartstochtelijk in de rede:
‘Laat ons maar hier, papa, laat ons alsjeblieft hier! Ook mama heeft het toch zo naar haar zin in ons huis.’
Met die verzekering wil Stéphane zijn vader geruststellen over de gevoelens van mama, die hier immers in het buitenland is. Hij voelt het heen-en-weer tussen de twee werelden in het huwelijk van zijn ouders goed aan.
Maar Bagradian denkt na:
‘Het zou het beste zijn, als ik probeerde jullie via Stamboel naar Zwitserland te brengen. Maar jammer genoeg is het in Stamboel ook al oorlog…’
Stéphane balt zijn vuisten op zijn borst:
‘Nee, niet naar Zwitserland! Laat ons alsjeblieft hier, papa!’
Gabriel kijkt de jongen, die met zijn ogen smeekt, verbaasd aan. Vreemd! Dit kind, dat de geboortestreek van zijn vader nooit gekend heeft, voelt er toch een diepe verbondenheid mee. Wat er bij hemzelf leeft, de gehechtheid van de familie Bagradian aan deze berg, dat heeft de in Parijs geboren Stéphane zonder eigen gevoelservaring van hem geërfd. Hij slaat zijn arm om de schouders van zijn zoon, maar zegt alleen:
‘We zullen wel zien.’
Als ze de hoogvlakte van de Damlajek weer beklommen hebben, dringt het ochtendluiden van Yoghunoluk tot hen door. Het is nog geen uur lopen naar het dal. Ze moeten zich erg haasten om de tweede helft van de mis nog te horen.
In Agir, het rupsendorp, komen de Bagradians maar weinig mensen tegen die de ochtendgroet brengen:
‘Bari luis!’ ‘Goed licht!’ De inwoners van Agir gaan altijd in Yoghunoluk naar de kerk. Het is immers maar vijftien minuten tot in de hoofdplaats. Voor veel deuren zijn tafels neergezet met grote planken. Op die planken zijn de eieren van de zijderups uitgesmeerd, een weke massa, die ligt te broeien in de zon. Stéphane hoort van zijn vader dat zijn voorvader Avetis de zoon van een zijdespinner was en in zijn vroegste jeugd zijn loopbaan begonnen is door als vijftienjarige naar Bagdad te rijden om brood in te kopen.
Halverwege Yoghunoluk worden ze gepasseerd door de oude gendarme Ali Nasif. De waardige saptieh behoort tot de tien Turken die al jaren temidden van de Armeniërs in de dorpen leven, en wel in vrede en vriendschap. Behalve hij zijn er nog de vijf ondergendarmes, die zijn post bemannen, maar vaak rouleren, terwijl hij blijft, onwrikbaar als de Musa Dagh. Verder is er als vertegenwoordiger van de sultan alleen nog een kromgegroeide postbode, die ’s woensdags en ’s zondags de post uit Antiochië bezorgt. Ali Nasif maakt vandaag een verstoorde en bezorgde indruk. Die ruige functionaris van de Ottomaanse overheid lijkt grote ambtelijke haast te hebben. Zijn pokdalige gezicht glanst vochtig onder zijn kale bontmuts. Zijn martiale cavaleriesabel slaat tegen zijn dorre O-benen. Terwijl hij anders altijd eerbiedig in de houding gaat staan voor efendi Bagradian, salueert hij vandaag alleen maar stram, maar trekt er een beteuterd gezicht bij. Zijn veranderde gedrag is voor Gabriel zo opvallend, dat hij hem een hele tijd nakijkt.
Over het kerkplein van Yoghunoluk rennen alleen nog een paar laatkomers, die van ver komen en daardoor verlaat zijn. Vrouwen met bontgeborduurde hoofddoeken en bolle rokken. Mannen die de şalvar, de pofbroek, dragen en daarboven de entari, een kaftanachtige jas. Hun gezichten zijn ernstig en in zichzelf gekeerd. De zon heeft al zomerse kracht en laat de kring kalkwitte huizen fel stralen. De meeste hebben maar één woonlaag en zijn pasgeverfd: de pastorie van Der Haygazun, het huis van de dokter, het huis van de apotheker, het grote gemeentehuis en dat van de steenrijke muchtar, het dorpshoofd van Yoghunoluk, Thomas Gabuzyan. De kerk In de groeiende engelenmachten rust op een breed fundament. Een bordes leidt naar het portaal. Avetis Bagradian, de stichter, heeft haar laten bouwen als een verkleinde versie van een beroemd nationaal monument, dat zich in de Kaukasus bevindt. Uit de open deur stroomt het gezang van het koor, dat de mis begeleidt. Ze zien over de dichte menigte heen het kaarsbleke altaar in het donker. Het gouden kruis op de rug van Der Haygazuns rode ornaat straalt.
Gabriel en Stéphane Bagradian gaan het portaal binnen. Samuel Avakian, de huisleraar, houdt hen beiden staande. Hij heeft al ongeduldig staan wachten:
‘Ga jij maar vooruit, Stéphane,’ zegt hij tegen zijn leerling. ‘Je moeder wacht al op je.’
Daarna, als Stéphane in de neuriënde menigte verdwenen is, keert hij zich snel naar meneer:
‘Ik wou alleen maar zeggen dat ze uw paspoorten ingevorderd hebben. Reispas en binnenlandse pas. Er waren drie ambtenaren uit Antiochië.’
Gabriel kijkt aandachtig naar het gezicht van de student, die het leven van de familie nu al jaren deelt. Armeens intellectuelengezicht. Hoog, wat wijkend voorhoofd. Waakzame, diepbezorgde ogen achter zijn bril. Een uitdrukking van eeuwige berusting in zijn lot en tegelijk een sterke trek van weerbare paraatheid om elke seconde de houw van een tegenstander op te vangen. Pas na een tijdje grondig onderzoek van dat gezicht stelt Bagradian de vraag:
‘En wat heb je gedaan?’
‘Madame heeft de ambtenaar alles overhandigd.’
‘Ook de binnenlandse pas?’
‘Ja, reispas en tezkere.’
Gabriel Bagradian loopt het bordes van de kerk af, steekt een sigaret op en doet zwaarmoedig een paar trekken. De binnenlandse pas is een document waarmee de houder zich vrij mag bewegen in de provincies van het Ottomaanse Rijk. Zonder dat stuk papier heeft een onderdaan van de sultan theoretisch niet eens het recht om zich van het ene naar het andere dorp te begeven. Gabriel gooit de sigaret weg en komt met een ruk overeind:
‘Dat betekent alleen maar dat ik vandaag of morgen een oproep krijg voor Aleppo.’
Avakian richt zijn blik op een diepingebakken karrenspoor, dat de laatste regen in de lemen grond van het kerkplein achtergelaten heeft.
‘Ik denk niet dat het uw oproeping voor Aleppo betekent, efendi.’
‘Het kan niks anders betekenen.’
Avakians stem wordt heel zacht:
‘Ik moest mijn pas ook inleveren.’
Bagradian smoort snel een beginnende lach:
‘Dat betekent: jij zult voor de keuring naar Antiochië moeten, beste Avakian. Deze keer is het serieus. Maar wees gerust. We zullen de militaire belasting voor je nog een keer betalen. Ik heb je nodig voor Stéphane.’
Avakian kijkt nog steeds naar het karrenspoor:
‘Al ben ik nog jong – dokter Altouni, apotheker Krikor en pastoor Nokhudian zijn vast niet dienstplichtig meer. En ook die moesten hun tezkere inleveren.’
‘Weet je dat zeker?’ snauwt Gabriel. ‘Wie heeft die ingevorderd? Wat zijn dat voor overheidsorganen? Wat gaven ze als reden op? En waar zijn die heren eigenlijk? Ik moet eens een hartig woordje met ze praten!’
Hij krijgt als antwoord dat die ambtenaren, begeleid door een afdeling bereden gendarmerie al anderhalf uur geleden verdwenen zijn in de richting van Suediya. Gezien hun opdracht kon het alleen maar om notabelen gaan, want een eenvoudige boer of handwerker heeft geen tezkere, maar hooguit een vergunning voor de markt in Antiochië.
Gabriel ijsbeert even heen en weer, zonder zich om de huisleraar te bekommeren. Dan pas zegt hij: ‘Ga maar vast de kerk in, Avakian, ik kom straks wel.’
Maar hij piekert er niet over om de rest van de mis bij te wonen, waarvan de samengebalde koorzang nu op volle kracht losbarst. Langzaam, met zijn hoofd nadenkend naar opzij, slentert hij over het plein, loopt een eind de straat in en slaat de weg naar de villa in. Maar zonder het huis in te gaan, blijft hij bij de stallen staan en laat een van de rijpaarden zadelen die de trots van zijn broer Avetis waren. Jammer genoeg is Kristaphor er niet om mee te gaan. Daarom neemt hij de stalknecht mee. Hij weet nog niet precies wat hij zal doen.
Maar in een stevig tempo kan hij om een uur of twaalf in Antiochië zijn.