Home / Nieuws en artikelen / Welvarend, invloedrijk en toen verdwenen: ...
Nieuws

Welvarend, invloedrijk en toen verdwenen: het verhaal van de Armeense gemeenschap in Amsterdam

https://www.amsterdam.nl/nieuws/achtergrond/armeense-gemeenschap/ • 2 juli 2025

news-image

In de Krom Boomssloot vindt u op nummer 22 de ingang van de Armeense Kerk. Het is een van de weinige tastbare herinneringen aan de Armeense kooplieden die in de 17e, 18e en begin 19e eeuw naar Amsterdam kwamen. Slechts 800 zouden het er in totaal zijn geweest. Maar ze hadden grote invloed.

De eerste Armeense kooplieden kwamen in 1627 vanuit Perzië aan in Amsterdam. Zij waren voornamelijk reizende kooplieden, die zich niet in de stad vestigden maar er tijdelijk verbleven. Het waren er niet veel, maar door hun oosterse kledij vielen ze op. En ze vervulden een grote rol in de handel. Ze vormden namelijk een belangrijke schakel met Turkije en Perzië.

Zijdehandelaren

De Armenen waren voornamelijk actief binnen de zijdehandel. Die was in de 15e eeuw in handen van de Turken en de zogenoemde ‘adjem’, de Perzen. Zij hadden een monopoliepositie. Nadat de Ottomaanse sultans aan de macht kwamen, werd dit monopolie doorbroken en kregen de Armenen meer ruimte. De tijd van de ‘dhimmis’ of ‘rayas’ brak aan. Dat waren toentertijd benamingen voor Armenen, Grieken en Joden.

Gegoede burgerij

De Armenen klommen omhoog op de sociale en economische ladder. Ze werden bankiers, karavaanleiders en zakenlieden. En vormden in het Ottomaanse Rijk en het Safawidische Rijk uiteindelijk de stedelijke bourgeoisie. De gegoede burgerij. In het Safawidische Rijk kregen ze zelfs bijzondere rechten, omdat ze de Shah Abbas steunden in de oorlog tegen de Turken. En veel Armenen hadden hoge posities binnen het hof.

‘Money makes the world go round’

In principe was het bedje van de Armenen dus gespreid. Er leek geen politieke of religieuze reden te zijn om naar Amsterdam te komen. Maar dat deden ze toch. U raadt het al: zeer waarschijnlijk voor de florijnen. De wereld draait tenslotte om geld. Dat moet Petrus di Babgian ook hebben gedacht.

Op zoek naar fortuin

Deze jonge scheepseigenaar en handelaar in juwelen en zijde kwam vanuit het Perzische Isfahan in de 17e eeuw naar Amsterdam om zijn fortuin te vergroten. Hij integreerde snel, maakte zich het Nederlands in razend tempo eigen en trouwde in 1743 met de Amsterdamse Maria Clara Houtendorp, de dochter van een wijnhandelaar. Ze kregen samen 11 kinderen.

Ondertrouwakte van Petrus en Maria Clara

Ondertrouwakte van Petrus en Maria Clara

 

Met open armen ontvangen

Het weren van buitenlanders was volgens de burgemeesters van Amsterdam ongunstig voor de welvaart. En dus werden de Armenen met open armen ontvangen. Ze hadden een eigen plek op de Beurs en stonden ingeschreven bij de Amsterdamse Wisselbank. Ze hadden in meerdere papjes een vinger. Zo voerden ze Turks garen, kameelhaar, geitenhaar, krenten, vijgen, rijst en koffiebonen in, en exporteerden ze lakens, linnen, fluweelachtige bekleding (trijp) en meubels in Hollandse stijl.

Geen vreemde schepen toegestaan

Halverwege de 17e eeuw werd het verboden om met buitenlandse schepen goederen vanuit Turkije en Perzië in te voeren in Nederland. Daarom besloten de Armenen om Nederlandse schepen te kopen en te bevrachten. En trokken ze naar Amsterdam. Petrus, bijvoorbeeld, bezat aandelen in meerdere schepen, zoals het fregat De Vrouw Maria Clara (vernoemd naar zijn echtgenote), de Juffrouw Ana Maria (vernoemd naar zijn dochter) en het schip De Vijf Broeders.

Van Cadiz tot Petersburg

Ook binnen Europa zaten de Armenen niet stil. Ze haalden walvistanden uit Archangelsk in Rusland, Poolse barnsteen uit Gdańsk en spiegels uit het Italiaanse Venetië, en verscheepten porselein naar Petersburg. De blauwwitte Delftse tegels die te zien zijn bij de oude ‘La iglesia de Santa María La Coronada’ (een kerk in Spanje) werden daarnaartoe verscheept door de Armenen. En op de Beurs handelden ze ook nog eens in schuldbrieven, actiën, obligaties en wissels. Geen kans om kapitaal te vergaren bleef onbenut.

Godsdienstvrijheid

De Armenen woonden, werkten, werden verliefd, en bouwden hun bestaan op in de stad. Net als Petrus. Wat daaraan bijdroeg was het handelsverdrag tussen Nederland en Turkije, waarin was bepaald dat voor ‘wederzijdse onderdanen’ vrijheid van godsdienstoefening gold.

Armeense Kerk

Niet geheel onverwacht dienden de Armeense kooplieden in 1714 een verzoek in om een plek te mogen oprichten waar ze hun geloof konden beoefenen. Zo ontstond de Armeense Kerk aan de Krom Boomssloot. Dat de Armenen, die apostolische christenen waren, het gezag van de paus in Rome niet erkenden, droeg vast bij aan de snelle toestemming die het protestantse stadsbestuur verleende. En dat terwijl er eigenlijk nooit meer dan 71 (niet in Amsterdam geboren) Armenen in de stad waren. Alle Armenen in Amsterdam waren lid van de kerk, maar een grote gemeente was het dus niet.

 Het gebouw van de Armeense Kerk, vastgelegd tussen 1703 en 1780

 

                                                                                     Gevelsteen boven de ingang van de Armeens Apostolische Kerk

Interieur van de Armeense Kerk, gezien vanuit de ingang

 

Schulden

Het ging de Armeense kolonie in Amsterdam voor de wind. Petrus ogenschijnlijk ook, maar na zijn dood bleek de situatie toch iets minder rooskleurig. Petrus had namelijk veel schulden opgebouwd, en zijn weduwe en kinderen moesten noodgedwongen een deel van hun huizen en schepen verkopen om deze af te betalen. Petrus was niet de enige die uiteindelijk minder rijk was dan hij leek. De Armeense priester Megriech kon in 1779 zijn eigen begrafenis niet betalen, zo berooid stierf hij. Er waren Armenen die zulke hoge schulden hadden opgebouwd, dat ze de stad uit vluchtten.

Rijke bovenlaag

Andere Armenen behoorden wel duidelijk tot de rijke bovenlaag van de samenleving. Zo bezat Alexander di Massé het buitenhuis Welgelegen met dubbele pleziertuin in de Watergraafsmeer. Di Massé was uiteindelijk ook degene die de begrafenis van Megriech betaalde. En handelaar Johannes de Jacob Galdar woonde op de Fluweelenburgwal. Op dit deel van de huidige Oudezijds Voorburgwal woonden in de 17e eeuw alleen maar burgers van deftige stand.

Stille dood gestorven

Overigens hadden de Armenen, in tegenstelling tot bijvoorbeeld de Joden, geen eigen begraafplaats. Zo’n 50 Armenen werden in de protestantse Oude Kerk te ruste gelegd. Ook in de Nieuwe Kerk, eveneens protestants, zijn Armeense overledenen begraven. Toen in de 18e eeuw de Nederlandse stapelmarkt in verval raakte, kwamen er steeds minder Armenen naar Amsterdam. De Armeense kolonie integreerde volledig, ging op in de samenleving. En in 1835 stierf het laatste lid van de Amsterdamse Armeense Kerk.

Wederopstanding

Na de Tweede Wereldoorlog ontstond er opnieuw een kleine Armeense kolonie in Amsterdam. Zij kochten het gebouw van de Armeense Kerk in 1989 weer terug. Na het overlijden van het laatste lid in 1835, deed het dienst als katholieke lagere school voor meisjes. Sinds 1997 is het weer in gebruik als Armeens-Apostolische Kerk.

 

Interieur van de Armeens Apostolische kerk tijdens het celebreren van de mis met priester vóór het altaar op 15 januari 2005

 

Foto's: Stadsarchief Amsterdam