Een veilige plek voor een reuzendiamant
Mark Ponte • 6 december 2025
In 1767 verzoekt een Armeense koopman de Amsterdamse burgemeesters om een pakketje voor hem in bewaring te nemen in de Wisselbank: een enorme diamant ter grootte van een half kippenei. De steen eindigt enkele jaren later in de scepter van Catharina de Grote, keizerin van Rusland.
De Armeense stenenhandelaar Gregori Saffraz kwam zoals zoveel Armeense kooplieden in Amsterdam uit Nieuw-Julfa, de Armeense wijk van de stad Isfahan in Perzië – vandaar dat Armeniërs vaak ‘Perzianen’ werden genoemd. Saffraz verbleef in 1767 aan de Binnenkant bij de Schippersstraat, niet ver van de Armeense kerk aan de Krom Boomssloot. Dat weten we omdat zijn echtgenote, Takkoehie Saffar, op 2 augustus 1767 werd begraven in de Oude Kerk. Saffraz betaalde vijftien gulden om de klokken twee uur te laten luiden.
Elke grote diamant is omgeven door legendes, zo ook deze. Volgens onderzoeker Anna Malecka werd de steen door de roemruchte wereldreiziger en juwelenhandelaar Jean Baptiste Tavernier al eens in India gezien, en kreeg daarna de naam ‘Grote Mughal Diamant’. De diamant zou worden bewaard in de schatkamer van de keizers van Delhi, totdat hij in 1739 geroofd werd door Nadir Shah, koning van Perzië, die hem mogelijk meenam naar Isfahan. Enkele decennia daarna duikt de edelsteen op in Amsterdam, en laat sporen na in het archief van de Amsterdamse notarissen.
Twee maanden na de dood van zijn vrouw is Saffraz op bezoek bij de burgemeesters in het Stadhuis. Hij zoekt een veilige plek voor de steen, omschreven als: ‘een diamant oude mijn Oost Indisch laboraat wegende 779 grijn’. Met ‘Oost Indisch laboraat’ wordt bedoeld dat de steen op Aziatische wijze is gesneden; 779 grein komt ongeveer overeen met 190 karaat.
Voordat de diamant in bewaring wordt genomen maakt Frans de Bakker er een tekening van, die in prent wordt gebracht. Op de prent is de diamant te zien van vier kanten, voorzien van een beschrijving die exact overeenkomt met die in het archief van de burgemeesters.
De burgemeesters nemen de steen, die verpakt is een pakket verzegeld met ‘drie cachetten in roodlak gedrukt’, in ontvangst en brengen op twee plaatsen ook nog het zegel van de stad aan. Het pakketje zal worden bewaard in de Wisselbank in het Stadhuis, een uitstekend beveiligde plek. Toch neemt de stad expliciet geen verantwoordelijkheid voor ‘ongevallen die aan ’t gemelde pak bij ongeluk van brand, geweld, diefstal of enig ander toeval hoe ook genaamd ooit of ooit zouden kunnen overkoomen’. Zover is het niet gekomen.
De aanwezigheid van de diamant in de stad bleef niet onopgemerkt. De dagboekschrijver (en aartsroddelaar) Jacob Bicker Raye schrijft nog dezelfde dag dat de steen ‘daar nooijt geen weerga van gesien is’ voor een half miljoen is verzekerd, en te koop is voor niet minder dan drie miljoen gulden.
Vijf jaar later, op 5 juni 1772, wordt de diamant weer door Saffraz opgehaald en op 9 juli meldt hij zich met zijn steen bij notaris Pieter de Wilde aan het Singel bij de Raadhuisstraat. Aanwezig zijn ook ene Arachiel de Paulo, en de kooplieden Johannes Esseboom en Jan Meulman, die net als Shaffraz en De Paulo handelen in juwelen.
De diamant wordt goed verpakt in een ‘swart chagrijn doosje’ en met zilveren haakjes en watten samen met zes ‘aftekeningen’ van de diamant in een houten doos gestopt. De notaris verzegelt het hele pakket en draagt het over aan schipper Arnoldus Banning die op het punt staat om met zijn schip De Jonge Baukje naar Sint-Petersburg te vertrekken. Daar moet hij de steen bezorgen bij Ivan Lazarev, hofjuwelier in St. Petersburg.
Ook Lazarev is een Armeniër, afstammeling van een familie die sinds de 17de eeuw juwelier in Isfahan is. Tijdens de regering van Nadir Shah werden Armeniërs vervolgd, en Ivans vader Lazar Nazarovitsj Lazarian is daarom in 1758 naar Rusland geëmigreerd. Lazarev is mede-eigenaar van de kostbare steen. Het zou kunnen dat hij die samen met Saffraz in Perzië heeft verworven; het zou ook kunnen dat Saffraz’ vrouw familie van Lazarev was. Volgens een getuigenis van Ivan Lazarev in 1779, opgesteld na het overlijden van Saffraz, heeft hij diens erven 125.000 roebel betaald, zijnde de helft van het aandeel van 50 procent in de diamant.
In Sint-Petersburg zou de diamant zijn gekocht door graaf Grigori Grigorievitsj Orlov, politicus, generaal, bevelhebber van het Russische leger én twintig jaar lang de geliefde van Catharina de Grote. Orlov zou behulpzaam zijn geweest bij het uit de weg ruimen van Catharina’s eerste echtgenoot, tsaar Peter III, waarna zij veertig jaar alleen zou heersen.
Over de aankoop door Orlov lopen de verhalen uiteen. Hij zou de diamant hebben gekocht voor het gigantische bedrag van 400.000 roebel om daarmee zijn tanende populariteit bij Catharina nieuw leven in te blazen.
Het blijkt echter, schrijft onderzoeker Malecka, dat Catharina zelf haar zinnen op de steen had gezet. Omdat Rusland in twee oorlogen was verwikkeld, vond ze het niet kies om zo’n grote uitgaaf te doen. Dat gebeurde dus in het geheim: ze deed een aanbetaling van 135.000 roebel, en tussen 1774 en 1780 onttrok ze de rest, 265.000 roebel, aan de nationale schatkist. Voor de buitenwereld liep de aankoop echter via Orlov, en zijn naam bleef verbonden aan de steen.
In 1774 liet Catharina de diamant inleggen in de keizerlijke scepter, die nu in Moskou te zien is in museum Arsenaal van het Kremlin, deel van het ‘Diamanten Fonds’ van de Russische tsaren. Volgens het museum meet de diamant 32 bij 35 bij 21 millimeter, en weegt hij, zoals de Amsterdammers al hadden vastgesteld, 189,62 karaat.
Zie ook: https://onsamsterdam.nl/artikelen/een-veilige-plek-voor-een-reuzendiamant